Leven in een land dat niet van jou is

“Het land zelf laat je niet veilig voelen,” zegt hij. “De mensen doen dat.”

Profiel
Biniam

Toen Biniam op zijn negentiende in Nederland aankwam, wilde hij vooral veilig zijn. In Eritrea wachtte het leger; in Maastricht wachtte zijn moeder, die hij negen jaar niet had gezien. Wat begon als een vlucht, werd een zoektocht naar taal, vertrouwen en een gevoel van thuis. “Het land zelf laat je niet veilig voelen,” zegt hij. “De mensen doen dat.”

“Mijn zoon!”, riep Biniams moeder toen ze elkaar voor het eerst in negen jaar weer omhelsden.
Haar zoon, die al zo volwassen was geworden, had – net als zij – nu ook Eritrea achter zich gelaten. En nu stond hij daar, voor haar neus in Maastricht. “Dat was heel bijzonder,” lacht Biniam.

Het was te moeilijk voor Biniam om in Eritrea te blijven. Hij kon zich niet goed concentreren op school. “Ik miste mijn moeder.” Toen studeren niet meer lukte, kwam het leger wel heel dichtbij. Want in Eritrea is het zo: als je niet meer naar school gaat, moet je soldaat worden. Die dienstplicht is verplicht en kan jarenlang duren, vaak zonder dat je weet wanneer het eindigt. “Ik had het geluk dat ik naar Nederland kon komen, naar mijn moeder,” zegt hij. “Ik ben niet geboren om soldaat te zijn.”

Toen hij in Nederland aankwam, had zijn moeder een klein feest georganiseerd met typische gerechten uit Eritrea, zoals zigni, doro wot en injera. Biniam lacht en zijn ogen glinsteren wanneer hij eraan terugdenkt. Zijn moeder was jaren eerder naar Nederland gevlucht. In Eritrea was het leven moeilijk: er was weinig werk, en vrouwen hadden beperkte mogelijkheden om in hun eigen onderhoud te voorzien. Vanuit Soedan vond ze uiteindelijk de kans om naar Nederland te vertrekken, waar ze in Maastricht een nieuw leven opbouwde.

Maar het geluk was, vooralsnog, van korte duur. Na drie dagen moest hij haar alweer verlaten. Hij vertrok naar het asielzoekerscentrum in Ter Apel, waar hij zich kon aanmelden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

“Ik had een sticker.
Er stond op:
Praat Nederlands met mij”

Van Ter Apel ging Biniam vervolgens naar Haarlem en daarna weer naar Maastricht, waar hij nog twee jaar in de opvang woonde. “Het voelde alsof ik steeds net aankwam, en dan weer weg moest.” Zijn leven werd wel steeds makkelijker. Hij vertelt: “Als ik me niet goed voelde, kon ik met mijn moeder praten. Ze zei dan: ‘Oké mijn zoon, doe maar zo, doe maar dit.’ Maar hij had ook al gauw iets anders door, iets wat het leven makkelijker maakte: taal. “Ik dacht: ik moet Nederlands met mensen praten.”

In de opvang hoorde hij dat vrijwilligerswerk helpt bij het leren van Nederlands. En dus begon Biniam als vrijwilliger bij de kinderboerderij. Tussen de dieren, bezoekers en collega’s oefende hij Nederlands. “Ik had een sticker,” zegt hij trots. “Er stond op: praat Nederlands met mij.” Biniam wilde absoluut geen Engels praten, maar zoveel mogelijk Nederlands. ‘s Avonds, op zijn kamer, ging hij voor de spiegel staan. “Ik had een papiertje in mijn hand,” vertelt hij. “Dan las ik en sprak ik tegen de spiegel. “Soms lachte ik tegen mezelf, want in het begin kon ik het nog helemaal niet goed. Ik dacht: wanneer ga ik goed spreken? Wanneer ga ik met Nederlanders kunnen praten?”

“Praat gewoon, ook als het niet perfect is”

Bij VISTA begint dan een nieuw hoofdstuk. Als onderdeel van zijn inburgeringstraject volgt hij onder andere Nederlands bij TAAL+. Biniam ontmoet er veel mensen die, net zoals hij, de taal leren spreken. “Ik dacht: wauw, ze zijn langer naar school geweest, maar ze spreken minder goed Nederlands. Ik leerde in de opvang al met mensen praten, door het gewoon te doen en me niet te schamen. Dat zeg ik nu ook tegen anderen: praat gewoon, ook als het niet perfect is.”

Met veel respect en een soort vertrouwdheid praat Biniam over zijn docenten. Hij glimlacht van oor tot oor. “Ik waardeer de docenten bij VISTA. Zij helpen mij om beter Nederlands te spreken. Ze geven mij tips en nemen ons mee naar buiten: naar andere plekken, andere mensen. Daardoor leer ik veel.”

Langzaam groeide er iets nieuws: het besef dat hij verder kon leren, ook buiten de taallessen. “Ik wilde eerst psycholoog worden. Dat sprak mij aan, want ik wil mensen helpen,” zegt hij. “Maar dat is moeilijk, want daarvoor moet je heel goed Nederlands kunnen spreken.” Uiteindelijk koos Biniam voor Elektrotechniek. “Ik hou van werken met mijn handen. En ik werk graag met computers. Ik wilde ICT doen, maar er was geen plek. Nu leer ik iets nieuws, iets waar ik later verder mee kan.”

“Het land zelf laat je niet veilig voelen.
De mensen doen dat.”

Toch blijft hij zich soms verbazen over hoe anders de wereld hier is. “In Eritrea geloven ze niet in complimenten,” zegt hij. “Daar leer je niet van. Thuis of op school word je geslagen.” Hij zegt het zonder oordeel, eerder met een kalm soort afstand. “Maar in Nederland is dat anders,” vervolgt hij, en er verschijnt wederom een glimlach. “Hier geven ze veel complimenten. Als je iets fout doet, vragen ze: waarom deed je dat? En dan leer je. Dat vind ik beter.”

“Daarom wil ik met Nederlanders omgaan,” zegt hij. “Ik wil hun tradities leren, hun taal, hun manier van denken. Hier voel ik me rustig en veilig.” Even laat hij de woorden hangen. Dan, zachter: “Het land zelf laat je niet veilig voelen. De mensen doen dat.”
Hij probeert uit te leggen hoe het voelt om te leven in een land dat niet van jou is. “Als je in je eigen huis een glas breekt, dan is dat oké. Je veegt de scherven op en je gaat verder. Maar als je een glas in andermans huis breekt…” Hij kijkt even voor zich uit. “Dat is het verschil. Wie ergens te gast is, moet altijd extra zijn best doen om te laten zien dat hij het goed bedoelt.”

Dan valt er een stilte. Het is vermoeiend, geeft hij toe. “Moeilijk,” zegt hij zacht. “Je moet praten, je moet blijven proberen, ook als je moe bent. Je moet perfect zijn.” Zijn blik glijdt omhoog. Even blijft hij stil als hij nadenkt over hoe dat voelt. “Ik heb er geen woorden voor.”
Maar Biniam geeft niet op. Hij blijft zich ontwikkelen. Naast zijn opleiding werkt hij in een restaurant in Maastricht. Tussen de klanten en collega’s blijft hij oefenen: in het Nederlands, en soms zelfs in het dialect. “Dat wil ik ook kunnen,” zegt hij enthousiast. “Iedereen praat hier anders. Soms begrijp ik het niet, maar ik luister goed. Als ik iets hoor wat ik niet ken, vraag ik: wat betekent dat?”
Op de vraag wat hij hierna hoopt te doen, denkt hij even na. Dan verschijnt er een kleine glimlach. “Later wil ik mijn eigen restaurant,” zegt hij. “Met eten uit Eritrea. Dan kunnen mensen proeven waar ik vandaan kom.”

Verder lezen bij VISTA

Sustainable Development Goals

SDG 4 – Kwaliteitsonderwijs

Onderwijs verandert levens. Met moderne opleidingen, praktijkgericht leren en persoonlijke begeleiding maken we leren toegankelijk voor iedereen. Zo bouwen we samen aan groei, talent en toekomst.

SDG 8  – Sustainable development

Iedere student werkt aan zijn of haar toekomst. Door samen te werken met bedrijven in de regio helpen we talent groeien, innovatie stimuleren en de lokale economie versterken.

SDG 10 – Ongelijkheid verminderen

We geloven in kansen voor iedereen. Door begeleiding, maatwerktrajecten en inclusieve leerroutes helpen we studenten die extra steun nodig hebben om volwaardig mee te doen.

Share